Autisme-PDD
Met autisme of autistische stoornissen worden vaak ook andere termen gebruikt, zoals klassiek autisme, de stoornis van Asperger, pervasieve en atypische ontwikkelingsstoornissen, het Multiplex Development Disorder of High Functioning Autism. Deze termen beschrijven elk een aandoening die behoort tot de autistische stoornissen. In het Engels spreekt men van Pervasive Development Disorder (PDD).
Autistische stoornissen vallen onder de psychiatrische stoornissen en worden geclassificeerd volgens de criteria van de DSM-IV-TR, een systeem dat wereldwijd gebruikt wordt. Binnen deze criteria worden vijf subgroepen van autisme onderscheiden:
- (klassiek) autisme
- stoornis van Asperger
- PDD-NOS
- RETT-syndroom
- Desintegratiestoornis van de kinderleeftijd
Uit de naam van de stoornis blijkt niet of het gaat om een lichte of een zwaardere vorm van autisme. Alle mensen met autisme ervaren ieder voor zich hun eigen beperkingen en problemen. Soms ervaart alleen de omgeving dat iemand anders is.
Autisme en autismespectrumstoornissen hebben alle eigen symptomen, maar globaal worden er drie symptoomgroepen onderscheiden: contactstoornis in de sociale wederkerigheid, communicatiestoornissen in taal en stoornissen in het voorstellingsvermogen. Deze kunnen per persoon in ernst verschillen.
Er is en wordt nog steeds veel onderzoek gedaan naar mogelijke oorzaken en de soorten behandelingen voor kinderen met autisme. Hoe eerder er duidelijkheid komt in wat de sterke en zwakke kanten van een kind zijn des te eerder kan de omgeving van een kind zo passend mogelijk gemaakt worden.
Naast begeleiding kan neurofeedback een goede rol in spelen.
De laatste jaren is er ook meer onderzoek gedaan naar het effect van neurofeedback bij kinderen met een autismespectrumstoornis (ASS). Daaruit blijkt, dat op qEEG gebaseerde neurofeedback vaak een positief effect heeft. Een onderzoek van Jarusiewicz (2002) laat zien dat na neurofeedbacktraining de score op de Autism Treatment Evaluation Checklist met 26% gezakt is, terwijl dit in de controlegroep 3% is. Bij kinderen met autisme die neurofeedbacktrainingen hebben ondergaan, zijn autistische symptomen en gedragingen significant verminderd. Pineda (2006) toonde aan dat er na neurofeedbacktraining bij kinderen met ASS verbeteringen optreden in taken die een beroep doen op imitatie. Imitatie kan voor kinderen met ASS zeer moeilijk zijn.
Er wordt ook qEEG onderzoek gedaan naar de hersenactiviteit bij kinderen met ASS. Daardoor komt er steeds meer duidelijkheid in structurele verschillen in hersenactiviteit tussen kinderen met ASS en een controlegroep. Oberman (2005) toonde een daling aan van electrische activiteit op de motorschors bij zelfuitgevoerde en geobserveerde handelingen bij gezonden. Deze daling ontbrak bij mensen met autisme als ze andermans handelingen observeerden. Dit geeft een goede basis voor neurofeedbacktrainingen bij ASS.
Referenties:
Gaag, R.J. van der, I. van Berckelaer-Onnes (2002). Protocol autisme en aan autisme
verwante contactstoornissen. In: P. Prins en N. Pameijer, Protocollen in de jeugdzorg.
Lisse: Swets & Zeitlinger
Jarusiewicz, B. (2002). Efficacy of neurofeedback for children in the Autistic Spectrum: A
Pilot Study. Journal of Neurotherapy, 6, 39-49
Oberman LM, Hubbard EM, McCleery JP, Altschuler EL, Ramachandran VS, Pineda JA. (2005). EEG evidence for mirror neuron dysfunction in autism spectrum disorders. Brain Research: Cognitive Brain Research, 24, 190-8.
Pineda, J. (2006). Efficacy of Neurofeedback Training on Autism Spectrum Disorders (poster). Presented at Cognitive Neuroscience Society, San Francisco CA, April 8-11.
Wing, L. (2001). The Autistic Spectrum. Berkeley, CA: Ulysses Press